Schapen2019-01-16T09:25:25+00:00

We zijn ooit begonnen met de Texelaar, voor vlees- en wolproductie een efficiënt ras. Omdat de Texelaar nogal ‘problemen’ gaf bij het aflammen zijn we overgestapt naar het ras Swifter. Toen we in 2006 met ons paardenpension begonnen hebben we het aantal schapen sterk verminderd. Inmiddels zijn de schapen op de Vossenburg geen bedrijfstak meer. We houden ze, speciaal daarom hebben we nu ook het Heideschaap, om ons grasland te verbeteren en als ‘onkruidbestrijders’. Behalve mals gras en klavers eten schapen namelijk ook graag kruiden als boterbloemen, paardenbloemen, duizendblad en akkerwinde.

Schapen in de wei veranderen en verbeteren de grasmat. Met hun bekende ‘gouden voetjes’ trappen ze de graszoden goed aan. De ‘gouden bekjes’ vreten het gras kort af. Dit stimuleert de uitstoeling van de grasplanten waardoor de grasmat dichter wordt.

Ook hebben we veel dijken, omdat daar de toegang naar diverse percelen aan liggen. Schapen zijn bij uitstek geschikt om op dijken te grazen en ze dus te onderhouden.

Vanuit natuuroogpunt gezien is een voorkeur voor schraal grasland omdat kruiden dan meer ruimte krijgen. De “gouden hoefjes” en “gouden bekjes” lijken hier dus juist niet gewenst. Met alle partijen zullen we deze contradictie moeten oplossen, we zijn er van overtuigd dat dit gaat lukken.

We brengen de schapen met enige regelmaat naar een andere wei. Soms met trekker en schapenkar en soms te voet over de weg.

In oktober doen we de ram bij de schapen. De ram heeft een dektuig om waarvan we elke 3 weken de kleur van het blok verwisselen. Elk schaap wat gedekt is heeft dus een kleur op haar rug/kont waaraan je kunt zien in welke periode ze gedekt is.

Een schaap draagt 5 maanden min 5 dagen, we weten dus wanneer we de 1e lammen kunnen verwachten. Voor het lammen, als we de schapen binnenhalen, scheren we de schapen. Dat we dit vóór het aflammen doen heeft voor ons drie belangrijke redenen: je kunt in geschoren ‘toestand’ goed de conditie van het schaap zien en dan ‘bijsturen’, het is hygiënischer en de lammen kunnen makkelijker de spenen vinden.

Als een schaap moet gaan lammen is ze zichtbaar onrustig. Ze gaat liggen en staan, krabt met de voorpoten, draait rond, zondert zich af en af en toe zie je wat persbewegingen. Dit onrustige gedrag vindt plaats tijdens de zogenaamde ‘ontsluitingsfase’. Tijdens deze fase gaat de baarmoedermond open, wordt de waterblaas uitgedreven en de geboorteweg langzaam opgerekt. Het einde van de ontsluitingsfase is bereikt wanneer de waterblaas is ‘geboren’, op de Vossenburg houden alle stalgenoten in aflamtijd de schapen in de gaten.

Hierna vindt de werkelijke geboorte plaats.
De meeste ooien lammeren binnen twee uur na het begin van de ontsluiting af. Bij een normale bevalling worden de lammeren in de kopligging geboren, dus eerst de voorpootjes en het kopje. Duurt de ontsluitingsfase langer dan drie uur, dan zullen we de ooi inwendig onderzoeken, meestal is er dan spraken van een verkeerde ligging van het lam en heeft het schaap hulp nodig. Ook als de ooi hard perst zonder dat de geboorte vordert, is het belangrijk dat we inwendig voelen hoe dit zou kunnen komen zodat we kunnen helpen.

Meestal hebben we 2 of 3 lammen per schaap maar ook 1 of 4 komt voor. Als de lammen geboren zijn ontsmetten we de naveltjes met jodium.

Als alles normaal gaat, gaat het lam al gauw staan en op zoek naar de speen van de ooi. Soms gaat er helaas iets mis bij de totstandkoming van de moeder-lam binding. De moeder kan het lam verstoten Dan heb je een zogeheten potlam, of paplam. We merken dit eigenlijk al vrij snel na de geboorte maar grijpen niet te snel in, want het kan gebeuren dat de moeder het lam alsnog accepteert. Het is belangrijk dat het lam snel na de geboorte biest krijgt van de moeder, dat is de melk tot 24 uur na de geboorte vol met antistoffen. Als de ooi het lam (nog niet) wil houden we de moeder vast zodat het lam uit eigen beweging kan gaan drinken. Soms nemen we wat biest af en geven het via een flesje, of we maken speciale schapenbiest uit een zakje.

Normaal hebben de schapen genoeg melk om hun lammen groot te brengen. Verstoten lammen of lammen waarvan de moeder niet genoeg melk heeft geven we de fles. De flesjes maken we met speciale melkpoeder voor schapen, het geven van de flesjes is ook een ‘stal-activiteit’.

Gedurende het jaar gaan we elke dag bij de schapen kijken en we tellen of ze er nog allemaal zijn. Regelmatig ontwormen en het brengen naar een verse, schone wei zijn belangrijk. In de winter kan het vanwege de weersomstandigheden zijn dat er niet genoeg gras is, we brengen dan hooi/voordroogkuil. Als ze in een wei zonder sloot lopen of als het gevroren heeft zorgen we ook voor vers water.